Terug naar concert

Toelichting op het programma van het concert van Lucie Horsch en Alexandra Nepomnyashchaya


In het begin van de 17e eeuw bracht Monteverdi het drama in de muziek. Hij componeerde in de “stile moderno”, de moderne stijl. Strakke vormen durfde hij af te wisselen met losse, emotionele fragmenten. Monteverdi was de grote vernieuwer.
Met hem begon de Barok. Monteverdi's invloed reikte tot ver over de grenzen.
Dario Castello bouwde voort op zijn schijfwijze. In zijn Sonata Seconda uit 1629 voor blokfluit en klavecimbel liet hij rustige delen en lange tonen onverwacht overgaan in snelle klanken en grillige motieven.
Met de nieuwe stijl werden ook de interpretatie en de techniek van de individuele musicus belangrijker. De solist toonde zijn talent en zijn virtuositeit. Allerlei variatievormen gaven hem daartoe de volle gelegenheid.
Jan Jacob van Eyck goochelde en kwinkeleerde met de blokfluit in zijn Lavolette (1649) op een doodeenvoudig Nederlands wijsje uit Valerius Gedenckklanken.
Giovanni Paolo Cima maakte composities voor blokfluit en klavecimbel. In zijn Sonate nr. 2 in g klein benadrukte hij de rol van het klavecimbel. Opvallend in de Sonate nr.1 in d klein klonk ook een chromatisch stijgend motief, dat de spanning in het stuk opvoerde.
Populair in de 17e en 18e eeuw waren de composities, waarin diverse malen werd gevarieerd op een kort motief. De Passacaglia – afgeleid van een 16e eeuwse Spaanse dans – was er één van. De Duitse componist Johann Kaspar Kerll schiep een Passacaglia in d klein op basis van een dalend motief. Hij ontwikkelde een krachtige constructie voor een klavecinist en een feestelijke zoektocht voor de luisteraar. Zijn motief begon in de laagte, maar lag even later ook verscholen in de hoge tonen of werd overspoeld door snelle loopjes en versieringen.
Telemann, Bach, Handel: ook de grote namen uit de 18e eeuw schreven hun Sonates en Variaties.
De Sonate in C groot voor blokfluit en klavecimbel van Georg Philipp Telemann bestond uit drie delen. De improviserende stijl van Castello en Cima had plaats gemaakt voor duidelijke onderdelen. De virtuositeit was gebleven en was verder ontwikkeld. Polyfonie (meerstemmigheid) speelde een grotere rol. Een uitgesponnen melodie in het tweede deel vormde een mooi contrast met de flitsende hoekdelen.
In de Fantasia's daagden componisten de instrumentalisten uit om hun muzikale verhaal te vertellen. Enerzijds moesten de musici hun technische kwaliteiten tonen, anderzijds zelf accenten leggen, het tempo vasthouden of vertragen.
Telemann componeerde een reeks van 36 Fantasieën voor klavecimbel. Die gingen uit van een kort motief met verschillende variaties. De Fantasia in A groot en de Fantasia in e klein uit 1732 waren vierdelig. Het eerste onderdeel werd aan het slot herhaald. Kleine intermezzo's bevatten nieuwe, levendige varianten. De sfeer van de Fantasia's was vrolijk, soms licht melancholiek. Ook de Fantasia in G groot voor blokfluit van Telemann had aparte, contrasterende onderdelen.
Johann Sebastian Bach componeerde tientallen Cantates, toen hij als cantor werkte in de Leipziger Thomaskirche. Veel instrumentale gedeeltes met een fluitsolo kwamen in die cantates voor. In dat kader ontstond in 1724 als los stuk zijn vierdelige Sonate in e klein voor fluit en klavecimbel, die vanavond in g klein wordt uitgevoerd. Een langzame melodie en een reeks van grote dalende intervallen in het Adagio gaan in het Allegro over in vlotte loopjes en echo-effecten. Het Andante stroomt kalm door met een hoofdrol voor de fluit. In de finale, het Allegro, schroeft Bach het tempo op met razendsnelle imitaties en motieven, die als het ware over elkaar heen duikelen.
De uitdrukkingskracht van de blokfluit inspireerde de tot Duitser genaturaliseerde Koreaanse componist Isang Yun in 1993 tot zijn “Chinesische Bilder”. Affenspieler gaat terug naar het traditionele Chinese “apenspel”. Yun speelde net als de componisten uit de Barok met de vele mogelijkheden van de blokfluit als instrument. Zijn apenspel is druk, hoog, atonaal met schelle trillers. Langzaam glijdt de muziek naar de laagte. Intervallen worden duidelijker. Uitgerekte en herhaalde tonen sluiten het tafereel af.“Besucher der Idylle” is mysterieuzer. Klanken vanuit de duisternis klimmen voorzichtig op naar de hoogte; op weg naar een trillende eindtoon.
Georg Friedrich Händel schreef zijn Sonate in F groot voor blokfluit en klavecimbel op jonge leeftijd tussen 1710 en 1720. Het stuk ademt eenvoud met heldere thema's en elegante versieringen in het Grave en het Allegro. In het derde deel verwerkt Händel een wiegende Siciliano. De finale, Allegro, is een perfect dansend sluitstuk.

Els de Boer