Terug naar concert

Toelichting bij het concert van het Animato Kwartet


Joseph Haydn werd in het begin van zijn loopbaan vooral bekend door zijn kamermuziek. Prins Nikolaus Esterhazy, bij wie hij in dienst was vanaf 1761, gaf hem de volle gelegenheid diverse soorten muziek te componeren en uit te voeren. Het grote muziektalent bleef nog binnen de muren van het paleis. In dit prinselijk paleis op de grens van Oostenrijk en Hongarije schitterde Haydn met zijn kamermuziek, symfonieën, koorwerken en opera's. Haydns grote liefde lag bij het strijkkwartet. En juist met die strijkkwartetten werd hij beroemd tot over de grenzen. Muziekuitgeverijen in Parijs, Londen en Amsterdam publiceerden kopieën van zijn handschrift, waardoor de kwartetten op vele plaatsen konden worden uitgevoerd. Uitgeverij Johann Julius Hummel in Amsterdam verzorgde rond 1774 een prachtige uitgave van de Strijkkwartetten opus 20 van Haydn met op het schutblad een beeltenis van de god van de zon. Sindsdien hebben de zes werken de bijnaam de ‘Zon-kwartetten’.
Met zijn Strijkkwartet opus 20 nr. 5 in f klein staat Haydn in de nieuwe tijd met duidelijke thema's en motieven gesteund door eenvoudige harmonieën. De eerste viool met zijn vele solo's speelt hierin de hoofdrol. De andere instrumenten ondersteunen de eerste viool met samenklanken of imitaties. Helder en precies klinken het Allegro Moderato en het Minuetto.
Maar de vroegere tijd zingt toch nog mee. In het Adagio maakt Haydn gebruik van de aloude variatievorm. Hij beëindigt zijn strijkkwartet meerstemmig met een briljante dubbelfuga, Fuga a due Soggetti. Daarin heeft ieder van de vier instrumentalisten zijn eigen, evenredige deel.
Anton Webern
kreeg als componist pas echte waardering na de Tweede Wereldoorlog. Hij ontwikkelde zich van hoog-romanticus tot minimalist. Webern componeerde zijn Langsamer Satz in Es groot in 1905. Pas in 1962 beleefde dit strijkkwartet zijn première in Seattle.
Webern werd in 1883 geboren in Wenen. De laatromantische stijl van Wagner en Richard Strauss beheerste het muziekleven in de stad. Webern studeerde muziekwetenschap en kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Wenen en nam van 1904 tot 1908 compositielessen bij Arnold Schönberg.
Zijn eerste composities waren tonaal, gelardeerd met veel dissonanten in de trant van Wagner en Hugo Wolf. Later verliet hij die uitgedijde tonaliteit en reduceerde zijn composities tot uitgekiende atonale miniaturen.
Langsamer Satz is nog tonaal. De smachtende melodie begint in c mineur, maar gaat over in majeur: Es groot. Zijn nichtje Wilhelmine Wörtel inspireerde Webern tot deze smeltende liefdesverklaring. Anton en Wilhelmine trouwden in 1911.
Webern hield zich nog aan de klassieke sonatevorm. Tegenover de emotionele beginmelodie plaatst hij een levendig tweede thema. Hij stuwt zijn strijkers op naar een extatische climax vol dissonanten en ritmes in triolen, waarna het stuk langzaam tot rust komt. De vier instrumenten hebben een gelijk aandeel in dit opwindende liefdesverhaal.
Sommigen worden in een beroemde familie geboren. De grootvader van Felix Mendelssohn, Moses Mendelssohn, was een eminent Duitse filosoof van de Verlichting. Felix woonde in Berlijn, waar zijn vader, de bankier Abraham Mendelssohn, huisconcerten organiseerde en bekende kunstenaars uitnodigde. Goethe en Liszt behoorden tot de vrienden van de familie. Het wonderkind Felix schreef al op zijn twaalfde jaar een uitstekend strijktrio. Op zijn achttiende, in 1827, componeerde hij het Strijkkwartet opus 13 nr. 2 in a klein.
Dit zondagskind gaf aan zijn kwartet een volmaakte structuur. Hij begon en eindigde met een langzaam Adagio, gebaseerd op zijn lied “Ist es wahr”. In het laatste deel, Presto-Adagio non lento, haalde hij verschillende onderdelen uit de vier delen van het strijkkwartet terug als een herinnering.
Een flitsend eerste thema in het Allegro Vivace laat hij volgen door een lieflijke melodie, waarbij hij soepel speelt met majeur en mineur. Zijn grote liefde voor Bach laat hij horen in de fuga binnen het tweede deel, Adagio non lento. De instrumenten reageren op elkaar in een fantastische polyfonie.
Na al deze technische pracht daalt Mendelssohn weer neer met een eenvoudig Intermezzo, een dansende melodie met een begeleidend pizzicato. Een knallend Presto zet in met theatrale recitatieven in de viool. Snelle effecten, thema's met gepuncteerde ritmes, vervolgen het drama. Dan valt de muziek bijna stil en volgt de overdenking. Het Adagio en het fugathema keren terug, de componist rondt zijn strijkkwartet af. Een afwisselende en fascinerende compositie.

Els de Boer