Toelichting bij het concert van Combattimento



Filmindustrie en televisie presenteren in onze tijd volop detectives en oorlogsfilms. Topacteurs en regisseurs maken er een spannend schouwspel van. Het publiek smult.
In vroegere tijden, lang voor televisie en film, oefenden strijd en overwinning een net zo grote aantrekkingskracht uit. Kunstenaars schilderden bloeddorstige taferelen, schrijvers gebruikten de krachtigste termen om de verschrikkingen van oorlog uit te beelden.
Componisten imiteerden het wapengekletter in hun muziek. De strijd werd tot toonkunst verheven in het begin van de 16e eeuw. Beroemd is “La Bataille de Marignan” van Jannequin. In deze “veldslag” schildert de componist het gevecht tussen de Zwitsers en de Fransen in 1515. De slag en de overwinning door de Fransen laat hij vertellen in een madrigaal, uitgevoerd door vier zangers.

De Bataille en de (Italiaanse) Battaglia beleefden hun glorietijd in de Renaissance en de Barok. De 17e eeuwse componist Johann Kaspar Kerll schreef een Battaglia voor toetsinstrumenten. Hij legde de nadruk op felle, gepuncteerde ritmes en dreunen in de laagte. Hij bleef voornamelijk vasthouden aan één toonsoort (C groot) om de aandacht van het wapengekletter niet af te leiden. Op sommige plekken bootste Kerll de fanfares van trompetten en hoorns na.

Minder oorlogszuchtig, maar beestachtig in de goede zin van het woord, klonken de muziekstukken, waarin dieren de hoofdrol speelden. Verschillende componisten uit de 17e en 18e eeuw putten hun inspiraties uit geluiden van dieren en uit de natuur. Antonio Vivaldi wijdde een aantal van zijn soloconcerten aan de natuur (De Vier Jaargetijden) of vogels.
Zijn Concerto voor Fluit en Strijkers in D groot draait om Il Gardellino, ofwel de goudvink. Een solo van de fluit in het Allegro beeldt het gekweel en de trillers van de vogel uit. De strijkers trillen mee. Een lange, langzame melodie op het ritme van de Siciliano wiegt het dier voor een ogenblik in slaap. Het komt weer tot leven in het slotdeel van het Concert, het Allegro. Met snelle imitaties van vogelgeluiden sluit Vivaldi zijn concert af.

“Beestachtig Barok” heeft ook een positieve betekenis bij het Concerto in Bes groot van Christoph Graubner. Deze tijdgenoot van Bach wilde dat al zijn composities na zijn dood zouden worden verbrand. Gelukkig is dat niet gebeurd. Want wat een “beestachtig” goede muziek heeft deze Graubner achtergelaten! In het Concerto zet hij de hobo, de chalumeau en de viola d'amore tegenover strijkers en basso continuo. De chalumeau – voorloper van de klarinet – geeft hij een speciale plaats. Daarmee schept hij een schitterende combinatie van klankkleuren. De instrumenten draaien om elkaar heen en reageren op elkaar. Het Largo e giusto en het Grave zijn gedempt en melancholiek van sfeer. Het Allegro suggereert een speels duel tussen solisten en strijkers in de stijl van Vivaldi en Bach.

Carlo Farina, 17e eeuwse Italiaanse componist, verliet zijn geboorteplaats Mantua in 1626 en werkte een aantal jaren als concertmeester in Dresden en Bonn. Farina had een fabelachtige viooltechniek. Duitsers noemden hem de “welsche Diskantgeiger” vanwege zijn Keltisch-Romaanse afkomst en wellicht zijn kunst op de (Welsche) “fiddle”.
Farina stelde zijn virtuositeit in dienst van het experiment. In zijn Capriccio stravagante voor strijkers en basso continuo imiteerde hij andere muziekinstrumenten en....dierengeluiden.
Het geluid van de lier wordt op de viool onderstreept met dubbelgrepen. Het effect van de dubbelgrepen vergroot Farina verderop in zijn Capriccio tot akkoorden op drie snaren. Deze worden met het hout van de strijkstok aangeslagen, “col legno”. Met tonen, die de violist aanstrijkt op de kam van het instrument – sul ponticello – verbeeldt de componist de zachte klanken van een fluit. De hen en de haan laat Farina tegen elkaar tekeer gaan met schelle dissonanten aan het slot. De kat krijgt van hem mauwende glissandi uit alle instrumenten, de hond blaft fortissimo in een flits van drie maten. Vlak voor het einde van de Capriccio komt Farina terug op de dubbelgrepen, maar nu pizzicato in een nabootsing van een Spaanse gitaar.

Imitaties, vooral van dierengeluiden, gaven de componisten de kans om nieuwe technieken, klankkleuren en samenklanken uit te proberen. Ook Vivaldi kon op die manier bijdragen aan de techniek van zijn instrumentalisten. In zijn mini-Concerto in Bes groot La Conca (de Tritonshoorn) werkt hij vooral met contrasten. Als iemand op deze Tritonshoorn – een schelp – blaast, produceert hij een tweetonig motief. Vivaldi verwerkt dat motief, een oktaafsprong omlaag, in zijn hele driedelige Concerto. Hij omspeelt het met grillige uithalen, zachte pizzicati en uitgelaten versieringen.

Heinrich Biber, Boheems componist uit de late 17e eeuw, hield net als Farina van imitaties van dierengeluiden. Net als Kerll schreef ook hij een Battaglia. Hij componeerde daarin zelfs bewust valse tonen. Zijn Sonata “Representativa” in A groot voor viool en basso continuo uit 1669 vertelt vooral dierenverhalen. Biber leidt zijn verhalen in met een uitnodigend, dansend Allegro. Zijn Nachtegaal komt aarzelend op gang, maar ontwikkelt gaandeweg een prachtig gezang.
Heel snel met repeteertonen verloopt het onderdeel Koekoek. De grap van dit fragment is, dat de koekoek zijn twee tonen laag in het klavecimbel laat horen. Met valse tonen, glissandi en tremolo's, maar ook met een tedere melodie schetst Biber zijn Kikker. De Hen en de Haan vliegen tegen elkaar op en rennen achter elkaar aan begeleid door venijnige dissonanten. De Kwartel houdt zich rustig in tegenstelling tot de Kat, die klagelijk miauwt in glissandi.
Aan het slot van de Sonata komt Biber even terug op zijn liefde voor de Battaglia in zijn Mars van de Musketiers. Een rustig Allemande rondt het verhaal af.

Niet alle dieren kunnen zo mooi zingen als de Nachtegaal. Een krekel geeft alleen een droog getsjirp af met zijn vleugels. Maar dit dorre geluid inspireerde Georg Philipp Telemann tot zijn Grillen-Symfonie in Bes groot. Uit het getsjirp van de krekel maakte hij een motief, dat door alle instrumenten in alle delen heen fladderde. Van de hoge instrumenten tot de lage contrabassen.
De Krekelsymfonie bevat drie delen, die het geestige karakter van het stuk accentueren: Etwas Lebhaft, Tändelnd (spelend, flirtend), Presto.
Zelfs het langzame, tweede, deel in mineur blijft grappig door de plotselinge akkoorden, die steeds de melodiestroom onderbreken.
Een warm krekelfeest.

Els de Boer