Toelichting bij het concert van BRISK recorder quartet Amsterdam


BRISK speelt Bach - componeren, bewerken en hercomponeren

Jong geleerd
Mozart, Händel, Mendelssohn en Beethoven componeerden al toen ze heel jong waren. Zo ging het niet bij Bach. Hij begon vanaf zijn elfde jaar met een enorme ijver muziek van anderen met de hand te kopiëren. Uit brieven van zijn zoon Carl Philipp Emanuel blijkt dat Bach daardoor als kind al vertrouwd was met muziek van allerlei Zuid-Duitse en Italiaanse componisten. Het uit het hoofd leren van exempla classica, voorbeelden van grote meesters, was in de baroktijd de leermethode bij uitstek voor talen en muziek, zeker voor gymnasiasten zoals Bach. En zo deed hij het ook met componeren. Hij bestudeerde voorbeelden van de beroemdste en kundigste componisten van zijn tijd. Door het urenlang overschrijven van hun muziek, leerde hij de fijne kneepjes van het vak: de principes van harmonie, contrapunt, melodie, stemvoering, maat en ritme.

Italiaanse invloed
De 17e -eeuwse Duitse componisten werden sterk beïnvloed door hun Italiaanse collega’s. Zo schreef Reinken triosonates in Italiaanse stijl waar Bach weer transcripties van maakte. Maar Bach deed er meer mee: hij veranderde ze en werkte ze uit tot complete fuga’s. Hierdoor, en door het bestuderen van Italiaanse composities van Corelli, Albinoni en Legrenzi, raakte Bach vertrouwd met het maken van een goede stemvoering. Hij leerde mooi afgeronde delen te maken, hij leerde het verschil tussen thematische en niet-thematische episodes in een stuk, en hij leerde omgaan met sequensen of herhaalde motieven als middel voor opbouw en uitbreiding.
Door de jaren heen bouwde Bach een imposante privébibliotheek op met werken van een bonte verzameling componisten: Duitsers, Fransen, en Italianen zoals Palestrina en Frescobaldi, en later Vivaldi en Marcello. Bach moet gefascineerd geweest zijn door al die composities, genres, stijlen en idiomen. Door diepgaande analyse van allerlei fuga’s en het contrapunt, ontwikkelde hij de sterke muzikale logica die zo kenmerkend is voor zijn eigen stijl. Daarbij was het omwerken van een bestaand stuk voor hem een favoriete manier om het componeren onder de knie te krijgen. Het materiaal van anderen kreeg bij hem een nieuwe betekenis. Zo ontstonden de fuga’s op thema’s van Corelli (BWV 579) en Legrenzi (BWV 574). Ook de Canzona (BWV 588) is duidelijk geïnspireerd op Italiaanse Canzoni van Frescobaldi.

Concertbewerkingen
Bach maakte ook klavierbewerkingen van concerten van Vivaldi en van Alessandro en Benedetto Marcello.
Johann Nikolaus Forkel schrijft in zijn Bachbiografie uit 1802: “Hij kreeg al gauw door dat die eeuwige loopjes en sprongen tot niets leidden; dat orde, samenhang en proportie de ideeënstroom moesten beheersen en dat er, om dat te bereiken, de een of andere leidraad nodig was. Vivaldi’s concerten, die toen net waren uitgegeven, boden hem zo’n leidraad. Hij had er vaak zo lovend over horen spreken dat hij op de lumineuze gedachte kwam om ze allemaal voor klavier te bewerken. Zo bestudeerde hij de aaneenschakeling van ideeën, hun onderlinge relaties en de rijkdom aan modulaties.

Koraalbewerkingen
Een heel andere vorm van het opnieuw gebruiken van bestaand materiaal was de koraalbewerking, een typische organistenkunst, waar Bach in excelleerde. In het Orgel-Büchlein oefende hij de cantus-firmustechniek, de kunst van het componeren met een koraalmelodie als rode draad. In zijn latere en meer uitgebreide Choralvorspiele is die rode draad ook steeds rijker versierd.
De verzameling van Achtzehn Choräle von verschiedener Art die ook wel Leipziger Choräle worden genoemd, stelde Bach aan het begin van de jaren veertig van de 18e eeuw samen. Waarschijnlijk had hij de bedoeling er een uitgave van te maken. Het handschrift werd later teruggevonden. Het zijn grotendeels oudere composities, die hij nog eens reviseerde of opnieuw bewerkte. An Wasserflüssen Babylon , Nun komm, der Heiden Heiland en Jesus Christus unser Heiland komen allemaal uit deze verzameling.

Bewerkingen van BRISK
Bach hield zich intensief bezig met werk van anderen, hij bestudeerde muzikale modellen en maakte er een nieuw geheel van. BRISK ging aan de slag met Bachs bewerkingen, en legde de Italiaanse originelen van de concerten van Marcello en Vivaldi er opnieuw naast. Zo ontstonden weer nieuwe versies. De virtuoze luchtigheid van die concerten vormt een prachtig contrast met monumentale fuga’s en met de fijn geëtste lijnen van de koraalbewerkingen. De perfecte vierstemmigheid van deze muziek leent zich uitstekend voor de uitvoering door een kwartet.

Instrumentarium
De bewerkingen worden uitgevoerd met een grote verzameling blokfluiten in barokstemming, waaronder een speciaal voor BRISK gebouwde c-bas en contrabas van de Amerikaanse blokfluitbouwer Friedrich von Huene. De orgelliteratuur van Bachs fuga’s en Choralvorspiele komt prachtig tot zijn recht met deze instrumenten. Het geluid van vier blokfluiten heeft iets van een levend orgel, iedere lijn krijgt een persoonlijke invulling. Een recensent beschreef het als volgt: "Het is alsof een orgeltje wordt aangetoetst door een in al zijn vingers wakkere speler.”

Nieuwe composities
BRISK vroeg Toek Numan en Guus Janssen om korte nieuwe composities te schrijven voor dit programma. Ze zijn bedoeld als orenwassers en als contrast met en commentaar op Bachs werk. Zo doen deze componisten iets wat Bach ook deed: het werk van een ander als uitgangspunt nemen en als inspiratiebron gebruiken voor iets nieuws. Guus Janssen: “Re-lude to C is de eerste prelude uit deel 1 van het Wohltemperiertes Klavier, maar dan achterstevoren. Laten we zeggen dat ik de muziekgeschiedenis in dit stukje terugspoel zodat we weer uitkomen op het moment dat Bach begon te componeren aan dat preludium, dat toch wel een van zijn mooiste is."
Toek Numan over Prelude en Caccia: “Mijn beeld bij Prelude is, dat je na het prachtige verwachtingsvolle Nun komm, der Heiden Heiland even meegenomen wordt en als het ware in een geheel andere omgeving neergezet wordt - een bos bijvoorbeeld - waar nogmaals een verwachtingsvolle muziek klinkt, maar nu bijna gewichtloos, zwevend. Ter afsluiting hoor je een kort reflecterend coda dat je vriendelijk terugbrengt naar je plek en die tegelijk het volgende stuk, An Wasserflüssen Babylon, aankondigt.
Caccia is een kort, speels stukje waarin steeds twee stemmen elkaar in repeterende nootjes achtervolgen. Een melodische stem springt er nerveus omheen. Hoewel tegen het eind nog eens een subtiele herinnering klinkt aan An Wasserflüssen Babylon, contrasteert het stukje vooral met de bezonken muziek van Bach die eromheen klinkt. De ritmiek is grillig en syncopisch. Het gejaagde karakter en het achtervolgingsgegeven verklaren de titel.”