Toelichting bij het concert van het EnAccord strijkkwartet


Menig luisteraar in de Parijse Société Nationale voelde de grond onder zijn voeten wegzakken.
Op het podium zat het beroemde Belgische strijkkwartet van Eugène Ysaÿe en produceerde vreemde, verwarrende klanken. Wat was dit voor muziek?
Melodieën zonder kop of staart, ritmes en maten, die alle kanten opgingen....
Het gebeurde op 29 december 1893. Het Ysaÿe-kwartet gaf in de Société Nationale de eerste uitvoering van het Strijkkwartet in g van Claude Debussy.
De compositie bestond netjes uit de klassieke vier delen. Ieder deel eindigde even braaf op de grondtoon. Maar daarmee was een vergelijking met het traditionele kwartet wel afgelopen.
Overal in Europa worstelden componisten aan het einde van de 19e eeuw met de overbekende tonaliteit. In Bayreuth werkte Wagner in zijn opera's met een nieuwe ”unendliche Melodie” en gewaagde samenklanken. Debussy raakte onder de indruk van diens stijl. Maar bijna tegelijkertijd – in 1889 – maakte Debussy tijdens de Wereldtentoonstelling in Parijs kennis met muziek uit Java. De Javaanse gamelan betoverde hem. En deze betovering ging samen met zijn liefde voor de volksmuziek uit Spanje en Rusland.

Debussy ontwikkelde een eigen idioom. Eén van de eerste resultaten daarvan was zijn Strijkkwartet. De muziek leidde niet meer, zoals in de tonale stijl, via een expositie, ontwikkeling en herhaling naar een einddoel. Debussy's kwartet bleef “zweven” in variabele ritmes, melodieflarden en losse samenklanken.
Een aantal tonen met een typische ritmiek vormden de kern van de compositie. Deze melodische wending viel steeds in stukken uiteen, maar bleef gedurende de vier delen de rode lijn. Soms vaag, soms met veel nadruk. Het subtiele aangeven van motieven of samenklanken liep parallel met de onduidelijke beelden in de schilderkunst van zijn tijd, het Impressionisme. In Animé et très décidé presenteert Debussy zijn thema. Kenmerkend aan dit thema zijn de korte versiering van drie tonen en de tegendraadse, syncopische ritmes. Dit patroon van drie tonen, die even lang duren en deze syncopen fladderen door het hele werk. Voortdurend speelt de componist ook met wisselende combinaties van de vier strijkinstrumenten.
Het pizzicato staat centraal in het tweede deel, Assez vif et bien rytmé. Dit getokkel smelt samen met lyrische motieven in de verschillende instrumenten. Maat en ritme schommelen.
Zo fel en contrastrijk het tweede deel is, zo zacht en ingetogen is het derde deel, Andantino, doucement expressif. De vier instrumenten klinken gedempt -”con sordino”. Mooie solo's worden afgewisseld met volle akkoorden, die zo uit de Russische kerkmuziek kunnen komen. Even mogen de dempers van de instrumenten en zwelt het volume aan. Violen, altviool en cello reageren op elkaar in kleine motieven. Dan komt het begin terug en eindigt dit tedere deel uiterst zacht.
Een klein moment knipoogt Debussy in het laatste deel, Très modéré, naar de vroegere tijd. Het lijkt of hij een heuse fuga wil inzetten. Maar daar is hij weer snel vanaf. Ritmische motieven denderen voort. Het Strijkkwartet in g mineur eindigt met nadrukkelijke akkoorden – toch klassiek! – in G majeur. Voor Joseph Haydn zou zo'n slot van Debussy's Strijkkwartet volstrekt normaal zijn geweest. Hij, Mozart en Beethoven waren de vaders van de klassieke tonale stijl. Zij bouwden hun muziek op in overzichtelijke delen, afgebakende thema's, eenvoudige maatsoorten en oorstrelende samenklanken.

Haydns Strijkkwartet in D groot opus 76 nr. 5 was een onderdeel van zes kwartetten, die in 1799 in Wenen en Londen werden uitgegeven. Onmiddellijk succes verzekerd. Haydn genoot een enorme populariteit in Oostenrijk en in Engeland. En juist daarom durfde de meester in zijn zestiger jaren zich nog vrijheden te veroorloven. Zo draaide het eerste deel van het Strijkkwartet, Allegretto, eigenlijk maar om één thema, dat hij varieerde en in fragmenten opdeelde. Hij liet zijn strijkers ermee stoeien en versnelde zelfs het tempo aan het slot van het deel. Aan het Largo, het tweede deel, gaf Haydn de volle klank en de rust van een lange melodie. In het Trio van het derde deel, het Menuet, zocht de componist het contrast op met duistere motieven in de cello.
Haydn was een levenslustige en geestige man. De Finale van het Strijkkwartet begint, alsof die meteen is afgesloten. Een paar driftige slotakkoorden suggereren een snelle afloop. Dan volgt een stel motieven in fors tempo, die één en al vrolijkheid uitstralen. Een paar vreemde samenklanken middenin verstoren de feestvreugde niet. Met veel virtuositeit en bravoure drijven de instrumentalisten het kwartet naar de echte slotakkoorden zoals het hoort – in de toonsoort D groot.

In tegenstelling tot Haydn voelde Franz Schubert zich ongelukkig in zijn latere levensjaren. Hij leed aan syphilis en wist, dat zijn leven niet lang meer zou duren. Als jonge man in 1817 componeerde hij het lied “Der Tod und das Mädchen” op tekst van Matthias Claudius. In 1824, vier jaar voor zijn dood, pakte hij het lied weer op en schiep daaromheen een strijkkwartet. Dit Strijkkwartet in d klein toont Schuberts muziek met al zijn melodische schoonheid, maar ook met zijn hartstocht en bijna brute dramatiek.
Het rauwe beginmotief in het Allegro grijpt de luisteraar onmiddellijk naar de keel. Schubert verzacht zijn eerste deel met lieflijke klanken, maar de donkere toon is gezet. Het tweede deel, Andante, is gebaseerd op het lied. In het lied smeekt het meisje de Dood om haar nog niet te halen, maar hij kalmeert haar als “vriend” en wil haar in zijn armen meenemen.
Schubert ondersteunde zijn lied met eenvoudige harmonieën. Deze harmonieën verwerkte hij in zijn Strijkkwartet in vijf variaties. In die variaties beeldde hij de strijd uit tussen het meisje en de Dood.
In de eerste variatie speelt de cello in pizzicato de simpele melodielijn, terwijl de de viool in hoge uithalen tegenstribbelt. De cello blijft de lijn volgen in de tweede variatie. Het grote gevecht tussen het meisje en de Dood heeft plaatst in de derde variatie. Scherpe ritmische figuren, ruige akkoorden en sterke volumewisselingen bekrachtigen de strijd. Het keerpunt treedt op in de vierde variatie in majeur. De muziek wordt kalmer en rustgevender. In de laatste variatie heeft de Dood gewonnen.
Een fel Scherzo en een jachtig Presto besluiten dit geniale, gepassioneerde Strijkkwartet.

Els de Boer